Op een avond ontving ik een appje van een ouder: “Pien zit met de stopwatch erbij Frans te oefenen … Ze is ineens bloedfanatiek!” Dat was nogal een contrast met hoe Pien* een aantal weken eerder op mijn huiswerkinstituut was binnengekomen. Ze wilde zo graag beter worden in de leestoetsen, maar wist écht niet meer wat ze eraan kon doen. Op school maakten ze al elke les oefenteksten. “Kilometers maken,” zei de docent. Maar Pien kwam geen centimeter verder en zat toen met hangende schouders naast me.

Wat moet je kunnen voor een leestoets?

Om een leestoets tot een goed einde te brengen, is beheersing van de taal in kwestie natuurlijk een belangrijke factor. Haalt een leerling echter keurige cijfers voor woordjes- en grammaticatoetsen, dan kan het daar niet aan liggen. Meestal ligt de oorzaak elders, en dan moeten bepaalde studievaardigheden worden getraind. Welke deelvaardigheden, dat verschilt natuurlijk per leerling, maar vaak zie je wel variaties op een thema terugkomen: problemen met concentreren en met samenvatten.

Bij een leestoets moet de aandacht vaak verlegd worden. Van het vragenblad naar het tekstboekje, terug naar de vraag, de mogelijke antwoorden A tot en met D, en natuurlijk het woordenboek. Bij Pien ging het op die wissel steeds mis. Ze las bijvoorbeeld de vraag en zocht de juiste alinea in de tekst, waarna ze een tijdje bleef staren. Of ze pakte het woordenboek erbij maar was na het openslaan alweer vergeten welk woord ze wilde opzoeken. Ook vraagstukken zoals ‘komt de ‘n’ vóór de ‘t’?’ haalden haar uit haar concentratie.

Concentratie en het alfabet

Als een leerling steeds uit de concentratie valt, kost dit tijd op de toets. Het gebeurt dan vaak dat ze een woord zien dat ze ongeveer herkennen en dan maar snel een antwoord uitkiezen. Ik heb Pien geholpen om heel specifiek bij de overgangen iets de verzinnen dat haar concentratie bevorderde. Alfabet en tempo waren daarbij de sleutelwoorden.

Het alfabet: tegenwoordig gebruiken we dit indelingssysteem een stuk minder. Dit komt doordat computers, telefoons en zoekmachines werken met trefwoorden. Zelfs voor het zoeken in een online woordenboek is het alfabet niet meer nodig. Je ziet bij de huidige middelbare scholieren vaak dat ze het alfabet wel kennen, maar er zo weinig mee vertrouwd zijn dat ze niet in een keer weten of ze bij de ‘k’ verder moeten bladeren of terug moeten zoeken voor de ‘r’. Pien kan het alfabet prima opzeggen, dus voordat ze nu aan een leestoets begint, schrijft ze het alfabet op een papiertje. Zo kan ze later in een oogopslag checken waar een letter in het alfabet staat en vergeet ze niet waar ze mee bezig was. Het zoeken neemt op deze manier dus minder van haar ‘werkgeheugen’ in beslag, waardoor er meer ruimte is voor haar overzicht over de opdracht.

Tempo!

Dan het zoektempo. Om te voorkomen dat Pien zou blijven hangen in twijfels over wel of niet opzoeken (wat soms wel twee minuten in beslag nam) en haar concentratie zou verliezen, stelden we de regel in: binnen tien seconden na het lezen van het woord, moet je de betekenis hebben opgezocht. Dit is waar de stopwatch in beeld kwam. Bij de eerste poging kostte het Pien veertig seconden om het woord in kwestie te vinden. Iedere bijles oefenden we tussendoor een paar woorden en – zoals ik dus van haar moeder weet – ze trainde zichzelf ook thuis. Hierdoor kon ze na verloop van tijd niet alleen als een speer zoeken in het woordenboek, maar maakte ze ook sneller de keuze om iets op te zoeken en kon ze meteen weer verder met haar gedachtegang. Plezierige bijwerking: Pien kreeg haar motivatie terug en werd zelfs fanatiek!

Houd deze blog in de gaten, want binnenkort vertel ik hoe en waarom ik samen met Pien een stappenplan voor haar leestoetsen heb gemaakt, én hoe het afloopt met haar resultaten voor Frans!

* Pien is niet haar echte naam.

Print Friendly, PDF & Email