Een schouderophaal. ‘Weet ik veel.’ ‘Boeit me niet.’ ‘Ja, en?’ Of de onderuitgezakte houding met armen over elkaar die zegt: ‘Ben je nu klaar, mag ik weg?’ Het is maar een greep uit de tekenen van onverschilligheid die ik dagelijks zie op mijn huiswerkinstituut, en alle docenten zullen ze herkennen. Maar zijn onze puberleerlingen wel zo onverschillig als ze lijken?

Intensere emoties

Op basis van de hersenontwikkeling mogen we bij pubers juist het tegenovergestelde van onverschilligheid verwachten. In de puberteit overheerst in de hersenen het limbisch systeem. Dit gebiedje is verantwoordelijk voor impulsief gedrag en emoties. De prefrontale kwab is juist nog volop in ontwikkeling, terwijl die zou moeten zorgen voor remming, relativering, en bijvoorbeeld plannen in de toekomst. Door deze volgorde van ontwikkeling zijn pubers juist zeer emotionele wezens. Ze ervaren emoties dus eigenlijk ongeremd, met een heftigheid die jonge kinderen en volwassenen vreemd is. Past totale onverschilligheid in dit plaatje? Deels: omdat de prefrontale kwab nog niet voltooid is, kan een puber inderdaad soms bepaalde gevaren en gevolgen minder goed inschatten. Een volwassene kan zich om deze dingen juist erg druk maken, en daarom het gebrek aan stress bij een puber als onverschilligheid zien.

Kortsluiting

Hoewel onze puberleerlingen zich dus niet altijd net zo druk zullen maken als wij, is het bijna onmogelijk dat ze echt onverschillig zijn als je ze ergens op aanspreekt. In de puberteit zijn mensen extra gevoelig voor de meningen en oordelen van anderen, of die nu worden uitgesproken of niet. Ze hebben een bijzonder sterke antenne voor zaken als oprechtheid, waardering en afwijzing. Hoewel die gevoeligheid het sterkst is richting leeftijdgenoten, staat of valt het zelfvertrouwen ook bij de meningen van ouders en docenten. Pubers leren net omgaan met allerlei nieuwe gevoelens in een nieuwe heftigheid. Het is natuurlijk lastig om al die emoties ook nog eens meteen te herkennen én adequaat te uiten. Bij een kortsluiting van het type ‘ik voel honderd dingen door elkaar maar ik weet nog niet wat en de docent verwacht nu een reactie van mij,’ is een schouderophaal misschien zo’n gekke oplossing nog niet. Hier vind je leuke emotie-opdrachten die je met de klas kunt doen, en links naar boeken over de hersenontwikkeling.

Woorden komen aan

Als docent is het belangrijk om te beseffen dat je woorden impact hebben. Niet alleen bij extraverte pubers die alle kleuren van de emotionele regenboog uiten, maar ook bij introverte pubers bij wie ogenschijnlijk niets gebeurt. Emotioneel zijn mensen in de puberteit een paar jaar lang extra kwetsbaar. Daar kunnen we als docenten rekening mee houden. Als je een kleine donderpreek begint en niet de gewenste reactie krijgt, weersta dan de verleiding om harder te gaan praten of sterkere taal te gebruiken. De muur van onverschilligheid zal alleen maar dikker worden en je loopt het risico dat je het vertrouwen van de leerling verliest. Ik vertrouw er altijd op dat mijn woorden aankomen, ook als ik geen directe gedragsverandering of reactie zie.

Begrip en tijd

Uiteindelijk wil je natuurlijk het liefste door het muurtje van onverschilligheid heen breken, om over de inhoud te kunnen praten of juist over de emotie zelf. Begrijpen hoe het puberbrein werkt is al een grote eerste stap: als een leerling voelt dat je niet boos of gefrustreerd bent, zal hij je eerder toevertrouwen wat er in hem omgaat. Daarnaast is tijd de allerbelangrijkste factor. Als docenten hebben we het grote voordeel dat we onze leerlingen niet elke dag de hele dag zien. Laat je woorden even bezinken aan de andere kant en kom er later nog eens op terug. Niet binnen vijf minuten, maar bijvoorbeeld na een dag of een week. En natuurlijk niet om je eigen verhaal nog eens te doen, maar om aan de leerling te vragen wat die ervan denkt.

Ik dring niet door

Een aantal maanden geleden kreeg ik een appje van de moeder van Yara. De moeder was in alle staten: Yara was niet op tijd opgestaan, haar moeder kreeg haar ook het bed niet uit, en ze hadden ruzie gehad. Ze hoopte dat Yara er die middag überhaupt zou zijn, en dat ik tot haar zou kunnen doordringen. Volgens haar moeder wilde Yara nooit naar zichzelf kijken. Altijd als ze haar ergens op aansprak, haalde ze haar schouders op. ”Ik dring niet tot haar door”, zei de moeder.
Stipt op tijd stond Yara die middag bij mij voor de deur. Ik zette een kopje thee en vroeg hoe het ging. Ze had moeite haar tranen te bedwingen. ”Ik heb vanochtend ruzie gehad met mijn moeder en ik heb er al de hele dag buikpijn van.” En na een korte uitleg van de situatie: “Ik weet dat ze gelijk heeft, maar ik weet niet hoe ik het anders moet doen.” Yara had stomweg een dagje de tijd nodig om haar gevoelens in woorden om te zetten, en te laten merken wat de ruzie met haar had gedaan.

In mijn volgende blogs lees je meer over pubermythes en -misverstanden. Wil je voor die tijd meer weten over mijn werk? Kijk dan op www.flowhuiswerk.nl.

Print Friendly, PDF & Email